taalVertraagde taalontwikkeling

Er is sprake van een vertraagde taalontwikkeling wanneer een kind op taalgebied beduidend achterblijft of negatief afwijkt in vergelijking met leeftijdsgenootjes. De taal kan achterblijven in het begrijpen van taal alswel het uiten van taal.
Bij een afwijkende taalontwikkeling verlopen stukjes van de taalontwikkeling anders dan normaal.
Zo'n 10% van alle kinderen heeft een zodanige achterstand in de taalontwikkeling, dat logopedische ondersteuning nodig is.

Een vertraagde taalontwikkeling kan samenhangen met andere stoornissen, zoals een spraakontwikkelingsachterstand, een algehele ontwikkelingsachterstand, een informatieverwerkingsprobleem, een auditief verwerkingsprobleem of een (tijdelijk) gehoorprobleem. Tevens spelen de mogelijkheden van het kind, psychologische factoren, sociale factoren en de aard en hoeveelheid taalaanbod een rol.
Maar het komt ook voor dat het kind slecht spreekt zonder dat er een duidelijke oorzaak voor gevonden wordt.

Bij een vertraagde taalontwikkeling kunnen zich problemen voordoen in het taalbegrip, de taalvorm, de taalinhoud en/of het taalgebruik:
Taalbegrip
•    Het kind begrijpt vaak niet wat er tegen hem gezegd wordt.
•    Het kind heeft problemen met het begrijpen en uitvoeren van opdrachten die via de taal worden gegeven.
•    Het kind begrijpt minder woorden dan leeftijdsgenootjes.
•    Het kind praat weinig en is soms erg stil.
Taalvorm
•    Het kind praat in (voor zijn leeftijd) te korte zinnen
•    Het kind heeft problemen met de woordvorming; veel fouten in het vervoegen van werkwoorden en/of zelfstandige naamwoorden. (bijv. verleden tijd en enkelvoud- en meervoudsvormen)
•    Het kind praat vaak in 'kromme' zinnen, waarbij bijv. de woordvolgorde niet goed is.
Taalinhoud
•    Het kind heeft een kleine woordenschat.
•    Het kind heeft moeite met het begrijpen en vertellen van verhalen.
•    Het kind gebruikt veel dezelfde woorden en/ of vertelt vaak hetzelfde.
•    Het kind praat vaak over dezelfde vertrouwde onderwerpen.
•    Het kind vindt het lastig om buiten het hier-en-nu te vertellen.
•    Het kind vindt het moeilijk om de voorkennis van de gesprekspartner in te schatten.
•    Het kind heeft moeite om op een woord te komen; woordvindingsproblemen.
•    Het kind gebruikt vaak stopwoorden, denkpauzes of herhalingen in de zinnen.
Taalgebruik
•    Het kind vertelt onsamenhangend; moeite met verhaalstructuur.
•    Het kind heeft problemen met het gebruiken van taal in de communicatie.
•    Het kind heeft moeite met communicatievoorwaarden; bijvoorbeeld beurtgedrag, luisteren en oogcontact in gesprekssituaties.

Het gevolg van een vertraagde/verstoorde taalontwikkeling is dat het kind niet duidelijk kan maken wat het wil en niet wordt begrepen. De communicatie en het onderling contact zijn bemoeilijkt. Hierdoor kunnen gedragsproblemen (het kind wordt opstandig en driftig als het niet begrepen wordt of het gaat zich juist steeds meer terugtrekken) en/of een sociaal isolement ontstaan. Ook kunnen er leerproblemen als gevolg van een vertraagde/verstoorde taalontwikkeling ontstaan.
Het is van groot belang dat een vertraagde taalontwikkeling zo vroeg mogelijk wordt onderkend. Een kind heeft van 0 tot 6 jaar een gevoelige periode voor het leren van de taal. De manier waarop het kind taal leert is van grote invloed op de verdere taal- /denkontwikkeling en sociaal-emotionele ontwikkeling. Wanneer het taalniveau aan de basis niet goed is zal dit effect hebben op de verdere taal/ denkontwikkeling. Taal blijft dus in grote mate medebepalend voor de taal/ denkontwikkeling die het kind doormaakt.
Het is dan ook beter om met een taalontwikkelingsprobleem te komen wanneer een kind 2,5 jaar oud is dan als hij al 5 jaar is. De achterstand is dan nog niet zo groot en makkelijker te verhelpen. Bovendien kan het preventief werken voor latere mogelijke leer- en/of gedragsproblemen.


Wat doet de logopedist?
De logopedist onderzoekt de taalontwikkeling van het kind zorgvuldig. Het is belangrijk zo veel mogelijk informatie te verzamelen, zodat er zo gericht mogelijk aan de taalontwikkeling kan worden gewerkt. Dat begint bij een eerste gesprek met kind en ouders. Tijdens het eerste gesprek wordt onder meer duidelijk wat de hulpvraag is, wat de achtergrond van het kind is en wat ouders zelf hebben gedaan om de taalontwikkeling te stimuleren.
De taalonderzoeken worden veelal afgenomen met gestandaardiseerde testen. Met deze testen wordt het talige niveau van een kind in vergelijking met zijn leeftijdsgenootjes bepaald. Er kan onderzoek verricht worden naar het taalbegrip, de taalproduktie (woorden en zinnen), communicatievaardigheden en auditieve vaardigheden.
Naar aanleiding van de uitslagen van de taalonderzoeken en verzamelde informatie wordt een diagnose gesteld. In overleg met de ouders wordt een plan gemaakt om zo gericht mogelijk aan de taalontwikkeling te kunnen gaan werken.
Er bestaan diverse therapievormen, waaronder de indirecte en de directe therapie. Bij de indirecte therapie worden de ouders door de logopedist geïnformeerd en geïnstrueerd hoe de taalontwikkeling zo goed mogelijk te kunnen stimuleren. De ouders leren hoe ze in allerlei dagelijkse situaties extra aandacht aan de taal van het kind kunnen besteden. Het kind krijgt op deze manier veel mogelijkheden om taal te koppelen aan ervaringen.
Bij de directe therapie werkt de logopedist met het kind.De logopedist werkt aan de opgestelde behandeldoelen. De logopedist bevordert een optimale communicatie. Daarnaast wordt het taalgedrag van het kind in de gaten gehouden en wordt daar zo goed mogelijk met het eigen taalaanbod op ingespeeld. Samenwerking met de ouders is uiterst belangrijk. Ouders worden nauw bij de behandeling betrokken, zodat de taalontwikkeling ook thuis goed gestimuleerd kan worden en het kind de kans krijgt om de taal zo goed mogelijk te kunnen ontwikkelen. Tevens is het zinvol om samen te werken met leerkrachten en andere behandelaars, zodat er zo effectief mogelijk aan de hulpvraag kan worden gewerkt.
Het resultaat van de behandeling hangt onder andere af van de oorzaak van de vertraagde ontwikkeling. In het algemeen geldt dat een vertraagde taalontwikkeling goed te behandelen is, zeker als de problemen al op jonge leeftijd onderkend worden. Al voor hun tweede jaar kunnen kinderen bij de logopedist terecht.

meertaligheidMeertaligheid

Meertaligheid bij kinderen
Men spreekt van twee- of meertaligheid wanneer kinderen tijdens hun ontwikkeling in aanraking komen met meer dan één taal.
Het gaat hierbij om kinderen van anderstalige ouders die thuis hun moedertaal leren en in kinderdagverblijven / peuterspeelzalen of op school het Nederlands als tweede taal. Daarnaast gaat het om kinderen van ouders met verschillende moedertalen, die vanaf de geboorte tweetalig worden opgevoed. Meerdere talen aanbieden hoeft geen probleem te zijn. Kinderen die vanaf de geboorte twee talen aangeboden krijgen, leren die talen net zo goed als kinderen die één taal leren.  Het is wel belangrijk dat de talen op een goede manier worden aangeboden. Spreken beide ouders nauwelijks Nederlands dan zouden ze het beste het kind op jonge leeftijd op een peuterspeelzaal kunnen plaatsen en Nederlandse programma's laten zien. Leert het kind het Nederlands als een tweede taal (boven op de eerste moedertaal), dan is het gunstiger dat hij zo vroeg mogelijk veel en correct Nederlands krijgt aangeboden.
Tweetaligheid kan voor kinderen een voordeel zijn, omdat zij al op jonge leeftijd heel bewust met taal en taalverschillen leren omgaan. Opgroeien met meer dan één taal is echter alleen een voordeel als de verschillende talen goed worden aangeboden en voldoende worden ondersteund. Twee- of meertaligheid kan een probleem worden als deze gunstige omstandigheden ontbreken. Veel kinderen krijgen dan te maken met spraak- en taalachterstanden.
De eerste vraag die ouders zich moeten stellen is: kunnen we de talen op gelijk niveau van elkaar aanbieden. Op welk niveau spreken wij de verschillende talen zelf? Voor een goede taalontwikkeling van het kind is het beter als vader en moeder allebei de taal met het kind spreken die ze zelf voldoende beheersen; welke die dan ook is. In die taal kun je jezelf het best uitdrukken. Ouders die meerdere talen op gelijkwaardig niveau met elkaar spreken, kunnen deze talen zonder probleem aan de kinderen aanbieden. Maar doe dat wel consequent in bepaalde situaties of door bepaalde personen. Je kan daarbij de 'één persoon - één taal strategie', of de 'één situatie - één taal strategie' toepassen. Een kind opvoeden in een taal die je zelf maar beperkt machtig bent, is niet aan te raden.
Tengevolge van een wisselend, gebrekkig of onvoldoende taalaanbod in een bepaalde taal is de meertalige ontwikkeling soms een moeilijk proces.
Ook de uitspraak kan problemen geven, waardoor een kind moeilijk verstaanbaar is voor anderen.
Vroegtijdige onderkenning van de taalproblemen in de voor - en vroegschoolse periode en begeleiding van de kinderen en hun ouders, bevordert de taalontwikkeling en beperkt mogelijke problemen op school.

Meertaligheid bij volwassenen
Ook kunnen er problemen ontstaan bij allochtone volwassenen en jongeren die de Nederlandse taal leren.
Tot 12 jaar kan een mens accentloos een tweede taal leren spreken, vanaf 12 jaar is dit veel moeilijker.
De juiste toepassing van woordklemtonen, zinsklemtonen, zinsintonatie en zinsritme helpen de verstaanbaarheid vergroten. Sommige klanken en klankcombinaties in het Nederlands kunnen door mensen die het Nederlands als tweede taal leren moeilijk worden uitgesproken. Welke klanken dit zijn hangt af van de eerste taal. Communicatie verloopt in elke cultuur volgens eigen cultuurbepaalde regels en gedragscodes. Ook hierdoor kunnen moeilijkheden in de communicatie ontstaan.

Wat doet de logopedist?
Meertaligheid is geen indicatie voor logopedie. Het is normaal dat kinderen die meerdere talen leren, het Nederlands niet zo goed beheersen als hun leeftijdgenootjes die door Nederlandstalige ouders worden opgevoed. Ze hebben niet minder taal tot hun beschikking, maar beheersen de taal breder (zo kennen ze het concept ‘poes’ in het Nederlands en in hun moedertaal: ze kennen dus eigenlijk 2 woorden!). Maar ook 10-15% van de meertalige kinderen heeft, net als eentalige kinderen, een duidelijke vertraging in het leren van de taal. Daarom is het belangrijk u af te vragen hoe goed uw kind alle talen beheerst: als de moeilijkheden zich in alle talen voordoen is er misschien wat aan de hand. Neemt u bij twijfel contact op voor advies.
Wanneer er een stoornis of achterstand is in de eerste taal, zal ook de tweede taalontwikkeling verstoord verlopen. Indien dit het geval is, is er logopedische begeleiding nodig. De logopedist zal de taal- en spraakontwikkeling en de verstaanbaarheid in het Nederlands stimuleren.
Er wordt middels verschillende methodes gewerkt aan onder andere de uitspraak, de zinsbouw en de woordenschat. Tevens worden de ouders begeleid in het geven van een taalaanbod dat past bij het taalniveau van het kind en heeft de logopedist contact met school en anderen uit de directe omgeving over taalstimulering.
Bij volwassenen wordt vaak extra aandacht gegeven aan de articulatie, klemtoon, intonatie en wanneer nodig communicatie regels.

Mogelijke problemen bij meertaligheid meertaligheid-handen
- Geringe woordenschat
- Moeite met vervoegingen, verbuigingen en lidwoorden,
- Afwijkende zinsbouw
- Problemen met de articulatie
- Problemen met intonaties en accenten
- Moeite met onderscheiden van specifieke spraakklanken
- Spellingproblemen

 

 

Checklist voor auditieve verwerkingsproblemen bij kinderen van Keith (2000, in: Neijenhuis en
Stollmann, 2003).
•    Gedrag als slechthorend kind ondanks normale gehoordrempel.
•    Regelmatig misverstaan; moeite met het onderscheiden van verschillende spraakklanken.
•    Moeite met het onthouden en manipuleren van fonemen (analyse, synthese).
•    Moeite met spraakverstaan in een rumoerige omgeving.
•    Zwak auditief geheugen; moeite met lange opdrachten.
•    Wisselend scorepatroon bij logopedische en psychologische tests.
•    Zwakke luistervaardigheid, merkbaar door verminderde aandacht voor auditieve informatie; snel afgeleid, onrustig in luistersituaties.
•    Wisselende reacties op auditieve informatie, niet altijd bewust van geluid/ auditieve informatie.
•    Conversatievaardigheid verbetert bij individuele benadering.
•    Stoornis in taalbegrip en/of taalproductie. Er kan een discrepantie zijn tussen taalproductie- en
taalbegripsvaardigheden.
•    Moeite met het verstaan van personen, die snel praten, of met een onbekend accent/ dialect spreken.
•    Zwakke muzikale vaardigheden; geen melodieën of ritmes herkennen; zwakke prosodie in spraakproductie.

 

Een auditief verwerkingsprobleem is aanwezig als, ondanks een normale gehoordrempel:
•    Minstens vier van de criteria van de checklist aanwezig zijn.
•    Deze problemen langer dan zes maanden bestaan.
•    De auditieve vaardigheden slechter zijn dan verwacht gezien de kalenderleeftijd en andere (bijvoorbeeld visuele, nonverbale) vaardigheden.

 

dyslexie1Dyslexie

Dyslexie is een stoornis die gekenmerkt wordt door een hardnekkig probleem met het aanleren en het accuraat en/of vlot toepassen van het lezen en/of het spellen op woordniveau. Er zijn 4 typen taalleerproblemen te onderscheiden die een relatie hebben met lezen en spellen:
•    Auditieve verwerkingsproblemen
•    Spraakproblemen
•    Grammaticale problemen
•    Problemen met de betekenisverlening
Er zijn in de afgelopen decennia nationaal en internationaal veel onderzoeken uitgevoerd naar de oorzaken van dyslexie. Alhoewel er wel vooruitgang is geboekt en algemeen wordt aangenomen dat er sprake is van problemen op het terrein van fonologische verwerking en de toegankelijkheid van taalkennis, is nog steeds niet duidelijk wat er precies ten grondslag ligt aan het ontstaan van dyslexie. Tegenwoordig wordt dyslexie gezien als een op zichzelf staande stoornis, die bij ieder intelligentieniveau kan voorkomen.
Door het niet goed kunnen lezen en schrijven kunnen bij kinderen emotionele problemen ontstaan. Soms ontwikkelt zich daaruit faalangst. Bovendien hebben kinderen met dyslexie door de leer- en/of spellingsproblemen moeite met alle vakken waarbij lezen en schrijven een rol speelt. Er onstaat dus gemakkelijk een onderwijsachterstand. Op volwassen leeftijd kunnen zij deze taalhandicap ervaren als een belemmering in de ontwikkeling van hun carrière. Ouders zijn belangrijke signaleerders en vormen een erg belangrijke schakel in de begeleiding van het kind en kunnen veel bijdragen aan het reduceren of versterken van emotionele problemen.

Wat doet de logopedist?
Veel lees- en spellingsproblemen vinden hun oorsprong in problemen met de taalontwikkeling, fonologie en/of de auditieve vaardigheden. Logopedisten zijn deskundig op het gebied van diagnostiek, indicatiestelling en therapie van spraak- en taalstoornissen. Hiermee onderscheiden zij zich van andere beroepsgroepen die zich met dyslexie bezig houden, bijvoorbeeld de orthopedagogen en de remedial teachers. Dit is in het bijzonder van belang omdat ze kennis hebben van de diagnostiek en begeleiding van de factoren die met dyslexie samenhangen zoals fonologie en oproepsnelheid. Logopedisten zijn vaak al in een vroeg stadium betrokken bij kinderen met dyslexie. Soms is er nog helemaal geen sprake van een kind dat in het leesproces vastloopt, maar zijn er al wel risicofactoren te signaleren. De behandeling van dyslexie dient in een zo vroeg mogelijk stadium plaats te vinden, zodat zo snel mogelijk de basisvaardigheden kunnen worden geleerd die nodig zijn voor het lezen en spellen.
Adequate begeleiding in een vroeg stadium (onder andere met klanken en letters werken) kan dyslexie weliswaar niet voorkomen, maar wel de uitingsvorm ervan verkleinen. De behandeling door een (gespecialiseerde) logopedist kan een grote bijdrage leveren aan het voorkomen van leesproblemen en het verminderen van het gevolg ervan.

De rol van de logopedist bij auditieve verwerkingsproblemen
Leerlingen met auditieve verwerkingsproblemen hebben moeite met het onderscheiden, herkennen, analyseren en synthetiseren van spraakklanken. Helaas leveren auditieve oefeningen voor het leren lezen erg weinig op als er alleen auditief gewerkt wordt. Lezen bestaat immers uit meer componenten dan alleen de auditieve. Juist de koppeling tussen de auditieve en de visuele component is essentieel. Een logopedist kan een kind helpen om met klanken te leren manipuleren waarbij in een vroeg stadium met klanken en letters wordt gewerkt.

De rol van de logopedist bij spraakproblemen
Een logopedist moet alert zijn op het effect van spraakproblemen bij lezen en spellen. Bij de behandeling moet de auditieve, visuele en spraakmotorische component van de woordstructuur aan de orde komen. Kinderen moeten een woord horen, zien (letters en mondbeeld) en uitspreken.

De rol van de logopedist bij grammaticale problemen
Grammaticale problemen bij kinderen zijn vooral terug te vinden bij het niet correct kunnen toepassen van regels met betrekking tot woordvinding, zinsbouw en spellingregels.

De rol van de logopedist bij problemen met de betekenisverlening
Kinderen die problemen hebben met betekenisverlening hebben moeite met het vinden van de juiste woorden en met pragmatisch taalgebruik. Deze problemen komen bijvoorbeeld tot uiting bij begrijpend lezen en begrijpend luisteren. Maar ook bij het vertellen van verhalen, zowel mondeling als schriftelijk (stellen). De logopedist kan een kind helpen om woordvinding en pragmatiek te benaderen via geschreven taal, zeker wanneer er sprake is van lees- en spellingproblemen.


Signaleren van dyslexie
Groep 1 - 2
In groep 1 en 2 kun je nog niet spreken van lees- en spellingproblemen, de kinderen leren immers nog niet lezen en schrijven. Er kunnen wel bepaalde signalen, risicofactoren, zijn waardoor de lees- en spellingontwikkeling in groep 3 en hoger misschien moeizaam zal verlopen.
Deze risicofactoren zijn:
•    er zijn spraak en/of taalproblemen of het kind is laat gaan praten
•    in de familie komt dyslexie voor
•    het kind heeft moeite met het leren van namen of kleuren
•    het kind heeft moeite met rijmen en het leren en onthouden van versjes en gedichtjes
•    het kind heeft woordvindingsproblemen: het heeft moeite met het snel en goed benoemen van voorwerpen, gebruikt stopwoordjes of vervangende gebaren
•    het kind heeft moeite met de taalspelletjes die voorbereiden op het lezen en spellen in groep 3

Kenmerken van lees- en spellingproblemen in groep 3:
•    het leren lezen en spellen gaat beduidend langzamer dan bij klasgenoten
•    moeite met het aanleren van de letters
•    moeite met het “plakken” van letters tot woorden
•    woorden letter voor letter blijven lezen: spellend lezen
•    lezen in een redelijk normaal tempo, maar met veel fouten: radend lezen
•    problemen met de auditieve vaardigheden: moeite met het horen van het verschil in klanken of woorden die op elkaar lijken, bijv. /eu/ /ui/, /m/ /n/, muis mus
•    bij schrijven worden letters die veel op elkaar lijken door elkaar gehaald ( bijv b d). Dit doen veel kinderen een tijdje, maar bij dyslectische kinderen duurt dit langer

Kenmerken van de lees- en spellingproblemen in groep 4-8
•    lezen in een traag tempo, bij het lezen van (nieuwe) woorden spellend lezen/ ‘hakken en plakken
•    lezen in een redelijk normaal/ vlot tempo, maar met veel fouten: radend lezen
•    problemen met de auditieve vaardigheden Het heeft moeite met het horen van het verschil in klanken/ woorden die op elkaar lijken, bijv. /eu/ /ui/, /m/ /n/, muis mus
•    een hekel hebben aan lezen
•    door de lees- en spellingproblemen last van spanningen en frustraties die zich op diverse manieren kunnen uiten: druk of juist teruggetrokken gedrag, buikpijn, slecht slapen, niet naar school willen, onzekerheid
•    veel spelfouten en het schrijven van een tekstje duurt lang
•    veel woorden worden geschreven zoals ze klinken, bijv. dislekties i.p.v. dyslectisch

 

AVPAuditieve verwerkingsproblemen

Luisterproblemen komen vaak voor. Het is echter belangrijk om ze niet te verwarren met motivatieproblemen (niet willen luisteren) en aandachtsproblemen (niet opletten). Wanneer je als luisteraar een boodschap niet goed begrijpt, kan dit vele oorzaken hebben.

Iemand wordt bijvoorbeeld ´Oost-Indisch doof´ genoemd als hij net doet alsof hij niets hoort. Dit is eerder een motivatieprobleem dan een echt luisterprobleem. Ook kan het gebeuren dat het geluid ´het ene oor in, en het andere oor uitgaat´; in dat geval hoort men wel, maar ontbreekt de aandacht om de boodschap bewust te (willen) begrijpen. Dit aandachtsprobleem heeft niet specifiek met ons gehoor te maken, want ook bij het lezen kunnen we onszelf er weleens op betrappen dat we een stuk tekst herhaaldelijk moeten lezen vanwege te weinig aandacht. Echter, structurele aandachtsproblemen (zoals bijvoorbeeld AD(H)D) kunnen wel leiden tot problemen in de communicatie doordat mondelinge informatie niet goed aankomt bij de luisteraar.

Auditief verwerkingsprobleem
Tenslotte kan iemand ook een luisterprobleem hebben ondanks een normale gehoordrempel; je kan dan wel horen, maar niet goed verstaan. Horen is slechts de eerste stap in het proces van spraakwaarneming. Wanneer de oren kunnen 'horen', hoeft spraak nog niet te worden verstaan. Nadat de oren het geluid hebben opgevangen, moet dit in de hersenen verwerkt worden tot een betekenisvolle boodschap. Dit deel van het proces wordt auditieve verwerking genoemd. Dit wordt ook wel een auditief verwerkingsprobleem genoemd.

Bij auditieve verwerkingsproblemen (AVP) zijn er problemen met de auditieve functies. Auditieve functies worden vaak uitgelegd als “wat we doen met wat we horen”. Oftewel: het verwerken van geluiden, klanken en spraak.
Auditieve verwerkingsproblemen leiden tot verstaansproblemen in moeilijke luistersituaties, zoals bijvoorbeeld in een drukke klas, een rumoerig café, of tijdens een gesprek met het geluid van de radio op de achtergrond.
Het belangrijkste kenmerk van auditieve verwerkingsproblemen is, dat de luisterproblemen verminderen zodra het geluid beter van kwaliteit is, zoals in een één-op-één gesprek zonder storende geluiden op de achtergrond.

Half woord
Een luisteraar met een auditief verwerkingsprobleem heeft aan een half woord niet genoeg en heeft dus meer spraakinformatie nodig om de boodschap te verstaan. Net als bij (tijdelijke) gehoorverliezen kan dit problemen opleveren voor de spraak-taalontwikkeling, de ontwikkeling van de communicatieve vaardigheden en de ontwikkeling van het lezen. Door onvoldoende toegang tot de aangeboden taal kunnen ook problemen ontstaan op andere leergebieden. Kinderen met een gehoorverlies of een auditief verwerkingsprobleem, kunnen in tegenstelling tot andere kinderen minder informatie oppikken in drukkere situaties (problemen met incidenteel leren). Daardoor kan er ook op andere leergebieden een achterstand ontstaan. Het onvoldoende meekrijgen van de informatie kan ook gevolgen hebben voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen.


Twijfelt u of uw kind AVP heeft? Bekijk dan hier de checklist Auditieve Verwerkingsproblemen.


De logopedist
De logopedist levert een belangrijke bijdrage aan het ontdekken, vaststellen en behandelen van problemen in de luistervaardigheid. Wanneer een kind bijvoorbeeld verwezen wordt omdat het moeite heeft met het begrijpen van mondelinge taal, zal de logopedist allereerst willen vaststellen of er sprake is van een luisterprobleem.
In eerste instantie is het dan belangrijk dat er onderscheid kan worden gemaakt tussen aandachtsproblemen, gehoorverlies en auditieve verwerkingsproblemen.
Door middel van uitgebreid onderzoek op een audiologisch centrum, waaraan de logopedist ook een bijdrage levert, kan een luisterprobleem in kaart worden gebracht. Dit onderzoek wordt vaak pas op zesjarige leeftijd afgenomen en bevat onder andere een uitgebreide gehoortest en een spraak-taalonderzoek.

Trainen
Zoals hierboven al werd gezegd: luisterproblemen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de ontwikkeling van taal, communicatieve vaardigheden en leren lezen. Door middel van training op deze gebieden kan het kind beter leren omgaan met de luisterproblemen. Enerzijds kunnen de auditieve vaardigheden worden getraind, waaronder het goed kunnen onderscheiden van spraakklanken (bus vs. mus) of het leren invullen van ontbrekende woorddelen (´ik kijk te_visie´).
Anderzijds kunnen ook de compenserende vaardigheden worden getraind, waaronder het vermogen om visuele informatie te gebruiken (liplezen), de taalvaardigheid (woordenschattraining) en strategieën om mondelinge informatie beter te kunnen onthouden (in stukken splitsen, aantekeningen maken)

Tenslotte begeleidt de logopedist ook de omgeving van de luisteraar: de leerkracht krijgt tips voor het duidelijk aanbieden van instructies en het verbeteren van de luistersituatie in de klas, de ouders krijgen aanwijzingen om thuis voor een rustige omgeving te zorgen. Het gebruik van ondersteunende luisterapparatuur (soloapparatuur of FM-apparatuur) in de klassituatie kan een extra hulpmiddel zijn om de geluidskwaliteit van de aangeboden informatie te optimaliseren. Hiermee krijgt het kind betere toegang tot de instructies van de leerkracht.